In 2005 wordt het plan rekeningrijden opnieuw overwogen onder de naam 'kilometertarief'.
Een brede commissie (Nationaal Platform Anders Betalen voor Mobiliteit) bestaande uit ANWB, werkgevers en werknemers, de gemeenten en de milieubeweging hebben een advies aan het kabinet opgesteld. Het advies voorziet in een gefasserde invoering: tussen 2009 en 2011 moet voor het gebruik van wegen rond de grote steden en knelpunten betaald worden. De opbrengst van de heffing moet worden gebruikt om de knelpunten aan te pakken. Daarna, uiterlijk in 2016, zou er een vaste heffing per kilometer komen afhankelijk van tijd, plaats, verbruik en vervuiling van de auto. Dit bedrag is zoals al gezegd natuurlijk sterk afhankelijk van bepaalde aspecten als tijd en het moment van het rijden.
Door de vaste kosten te verminderen (wegenbelasting en de aanschafbelasting op auto's BPM) blijven de uiteindelijk kosten gelijk voor automobilisten die circa 18.000 km per jaar rijden.
Dat was de theorie en hoewel het advies positief werd onthaald (mede doordat het vanuit een aantal consumentenorganisaties zoals de ANWB afkomstig is) en de eerste onderzoekingen naar de haalbaarheid begonnen, worden de eerste plannen pas in november 2007 door minister van verkeer Camiel Eurlings bekend gemaaklt, nl. dat vanaf 2012 de kilometerheffing wordt ingevoerd voor vrachtauto's en vanaf eind 2012 voor personenauto's. In 2018 moet het hele systeem zijn ingevoerd, zonder tolpoortjes, maar gebruik makend van een satellietsysteem.
De ANWB noemt dit concept kilometerprijs om onderscheid te maken met het eerdere concept rekeningrijden waar zij zich sterk tegen had verzet in 2005. Het ministerie van V&W noemt het aangenomen plan voluit
Anders Betalen voor Mobiliteit en gebruikt in de communicatie naar buiten ook de term kilometerprijs.